Dikke Dora

Een mooi verhaal van Rien Faasse. Rien is volgende week jarig, en vele jaren geleden kreeg dit verhaal op zijn verjaardag gestalte.

Op zondag gaan we vaak op koffie visite bij oom Cas en tante Bertha.

Ik kom er graag. Het zijn fijne mensen en omdat ze zelf geen kinderen hebben word ik er altijd stik verwend. Tenminste, dat zegt mijn moeder.

Er wordt vaak gepraat over de oorlog die geweest is en ze noemen mij een oorlogskindje omdat ik toen werd geboren. Oom Cas is bij de Amsterdamse politie en ik mag altijd met zijn pet en koppelriem spelen waar hij dan het pistool vanaf heeft gehaald want dat is natuurlijk veel te gevaarlijk. Met zijn zwart wit gestreepte manchetten om mijn armen speel ik op de gang verkeersagent. Het fluitje, dat met een koord aan m‘n nek hangt snerpt prachtig en ik gebruik het veel. Dat maakt het pas ècht.

Meestal komt oom Cas dan de gang op en zegt:

– “ Geef die fluit maar hier  Rientje, want het geluid is niet helemaal in orde. Misschien blaas je hem zo wel helemaal naar de gallemiezen. Morgen op het bureau laat ik de technische dienst er wel even naar kijken.”

’t Jonge, wat hebben ze toch rottige fluitjes bij die politie want dit gebeurt nou  telkens weer als ik er mee speel. Wat vervelend is dat toch.

Omdat ik geen koffie lust maakt tante Bertha op de grijs granieten aanrecht van haar keukentje chocolademelk voor mij in een grote beker.

Van die lekkere dikke met extra veel cacaopoeder en suiker erin. Ik krijg er ook altijd een janhagel koekje bij en soms wel twee.

In de herfst is oom Cas er vaak niet.

– “ Die is weer vissen, “ zegt tante Bertha dan.

– “ Snoeken, “ voegt ze er aan toe.

– “ Oom Cas, wanneer mag ik mee vissen. “

– “ Als je tien jaar bent Rientje, “ zegt hij, “ want eerder heb je er toch het geduld niet voor. “

Dat duurt nog wel een heel jaar maar vergeten doe ik zijn belofte niet en oom Cas zelf ook niet want op mijn tiende verjaardag krijg ik van hem een hengel.

– “ Een echte snoekhengel, “ zegt oom Cas.

Hij is van bruin bamboe met mooie zilverkleurige ringen eraan en een stalen top. Dat ronde draaiding aan het dikke handsvat noemt oom Cas een molen. Dat is om de lijn mee op te spoelen, leer ik. En wat ik zo ook leer is dat sommige woorden meerdere dingen beteken zoals lijn, spoelen en molen.

– “ Maar we moeten nog even wachten Rien, “ zegt oom Cas, “ tot het herfst is want dan gaat de snoek zich pas lekker dik vreten voor de winter.”

Dat wachten gaat lang duren want het is nog maar begin zomer. Maar dan is het eindelijk  toch zover. De eerste zondag van oktober.

’s Ochtends vroeg, het is nog donker, komt oom Cas mij met zijn groene Rap brommer ophalen. Hij heeft alleen een leren schoudertas bij zich maar geen hengel. Vreemd hoor.                                      We rijden naar de boerderij van boer Ochterop in de Beemsterpolder waar hij al jaren vist. Zijn hengel, visstoeltje en schepnet staan daar in de schuur vertelt oom Cas me onderweg.

Naast die schuur staat een grote ton met regenwater waar oom Cas met een schepnetje visjes uit haalt die hij in een akertje doet. Zo noemt hij dat ovaal zinken emmertje.

– “ Zo, dat zijn genoeg aasvisjes voor vandaag,” zegt hij.

We gaan achter de hooiberg op de kruising van twee brede sloten vissen. Oom Cas noemt het weteringen.

We zitten op een houten steiger die hier en daar met mos is begroeit.  Oppassen hoor, want als je uitglijdt ga je zo koppie onder de plomp in.

Dikke bruine sigaren steken boven het gele riet uit.

– “ Die noemen we in Friesland bollepiesten en dat betekent stierenlullen, “ vertelt oom Cas.

Hij kan het weten want hij is een Fries en we lachen er allebei om. “

– “ ‘t Zonnetje in de rug en de wind op het handje. Als de snoek nu ook nog trek heeft zitten we gebakken, “ zegt oom Cas en hij steekt een dikke sigaar op. Een bollepiest denk ik en moet hard op mijn onderlip bijten om niet te gaan lachen.

Onze rood witte steekdobbers doen hun best om tegen de golfjes in naar de over kant te zwemmen.

Het eerste uur gebeurt er niets.

– “ Prima voorntjes hoor, “ zeg oom Cas, “ want ze blijven hun best doen. Daar ligt het niet aan. Maar nou die snoeken nog. “

Vrouw Ochterop komt op een rond dienblad koffie brengen en voor mij een beker karnemelk.

Ze is over zes maanden uitgerekend en dan is die nare winter gelukkig voorbij, vertelt ze. “ Dat wordt dan nummer vier op rij. “

Oom Cas slurpt aan zijn hete koffie en knikt begrijpend maar ik snap niet waar het over gaat.

Vrouw Ochterop is net weg is als mijn dobber ineens wat raar op en neer gaat dansen en dan met een enorme kolk onder water verdwijnt.

Het water is zo helder dat je precies kunt zien waar de dobber heen gaat. Hij zwemt met korte rukjes heen en weer en blijft dan midden op de kruising van de sloten stilstaan.

– “ Potverjammel mien jong, dat sou wol dris in goeie wêze kenne, “ zegt oom Cas, die plotseling in het Fries gaat praten.

Moerstaal, noemt hij dat zelf.

– “ Hij bluwt  op syn plak lizzen en ferskûlet him net yn ‘e reitjes.

Dat binne altiet hiele bêste, “ gaat hij verder.

– “ Niks doen en wachten tot ik zeg dat je kan slaan want hij moet het visje eerst keren. “

Hè, gelukkig praat hij weer gewoon.

Mijn hart klopt in mijn keel van de spanning.

Als de dobber langzaam wegzwemt helpt oom Cas me met het aanslaan en het is raak. Maar dan ook echt raak want de snoek neemt een run naar de overkant en springt dan plotseling rechtop omhoog uit het water. Ik schik me rot en geef m ’n hengel vlug aan oom Cas.

Wat een joekel van een beest. Ik wist niet dat vissen in een sloot zo groot kunnen worden.

– “ Dit gaan we heel voorzichtig doen jochie want anders verspelen we hem. Geen haast, geen haast en rustig moe maken. Zo gaan we dat samen doen.”

De hengel staat een beetje krom en telkens windt oom Cas een stukje lijn binnen maar de molen gaat ratelen als de snoek er weer vandoor gaat.

Als de snoek eindelijk moe is geworden steekt oom Cas het grote schepnet schuin het water in en drukt het rubber handvat van de steel in mijn handen.

_ “ Alleen maar vasthouden,“ commandeert hij.

Langzaam en voorzichtig trekt hij het kolossale beest boven het net.

En dan… Hebbus. Het schepnet is net  groot genoeg.

De dreghaak zit aan de zijkant van de bek en wordt er met een lange tang uit gewipt.

– “ Prachtig gehaakt knul, “ zegt oom Cas en als hij mij knul noemt vind ik dat prettiger dan jochie.

– “ Wat een bak van een beest. Wat een schoonheid. Zeker wel een meter lang en moddertje vet. Wat ben jij een bofkont met zo’n prachtige eerste keer snoeken. Ik vis hier al jaren maar zo ‘n feest heb ik nog niet eerder meegemaakt.

Wat een kanjer van een vis, man. Gefeliciteerd.

Nou Rien, we zetten haar gauw weer terug want dan kan ze gaan zorgen voor een heleboel kleintjes want die grote snoeken zijn altijd de vrouwtjes. “

Statig langzaam, alsof er niets gebeurd is, zwemt de vis  bij ons vandaan en we kijken haar vol bewondering na.

Vroeg in de middag gaan we terug naar huis. We hebben er niets meer bijgevangen maar dat maakt niet uit, zegt oom Cas; “ want deze dag heeft al een gouwe randje. “

Natuurlijk vertel ik thuis in geuren en kleuren over onze snoekvangst en daarna, op de volgende visite-zondag, doe ik het verhaal nog een keer over voor tante Bertha.

In mijn enthousiasme wordt de snoek groter en groter zodat mijn armen tekort schieten maar de maat van haar buikomvang geef ik met mijn beide handen fors aan.                                                          Met een knipoog naar mijn moeder zegt tante Bertha :

– “ Zeg Rientje, die snoek van jou gaat langzamerhand wel erg veel lijken op dikke Dora, de vrouw van onze bakker hier op de hoek. ”

 

 

Dit is een visavontuur van meer dan vijfenzestig jaar geleden en mijn buurvrouw, een sympathieke dame van het vlezige type, heet toevallig Dora.

Wat dit met elkaar te maken heeft?

Nou, elke keer dat ik haar tegen kom, en dat is praktisch dagelijks, zeg ik vriendelijk: “ Dag Dora, “ en dan komt de herinnering aan die heerlijke visdag van toen even in een flits bij mij binnen en…  dat verveelt me nog steeds niet.

Rien Faasse