Over snoeken gesproken. Door Rien Faasse

Dit snoekseizoen was het voor mij niet helemaal.      

Liever gezegd; helemaal niet.

Natuurlijk waren die fraaie Noordhollandse watertjes met hun dikke snoeken er nog altijd en ook de visspullen stonden tiptop in orde in de schuur op hun gebruiker te wachten maar het lukte gewoon niet met de afspraken. Dan kon mijn vismaatje niet en dan kon ik weer niet.               Drukte, ziekte en zeer, een verjaardag, een crematie, gebroken pols van mijn vrouw waardoor ik niet van huis kon en toen was er weer storm of hagel en natte sneeuw en… nou ja, het lukte gewoon niet.

En over die ene keer dat het wel doorging valt ook niet veel bijzonders te melden.

De wind kwam guur, net boven het vriespunt, uit het noorden en dat betekent meestal dat de vis het laat afweten. Die ochtend doen we de Noorder en Zuidervaart aan. Water dat meestal garant staat voor een paar mooie vissen maar nu geen enkel bewijsje van enige snoekactiviteit geeft. 

Na de traditionele lunch  in de Gouden Karper, uitsmijter ham kaas op dik boeren bruinbrood plus een mooie grote pils erbij, gaan we het zonder al te hoge verwachtingen nog even proberen in de buurt van de Alkmaarse vuilverbranding.

Ik weet daar een mooi met struiken en riet omzoomd poeltje dat in verbinding staat met de omringende sloten en waar, voor zover ik weet, nooit een snoekvisser komt.

Binnen vijf minuten duikt de dobber van mijn Limmenese visvriendje Bart onder. Na een  fraaie dril komt er een  gaaf getekend snoekje van 70 cm in het schepnet. Zo, de eer voor deze dag is gered. Ik verplaats me naar de overkant van de poel waar ik een kwartiertje later een prachtige wegloper krijg. De fel oranje dobber is in het ondiepe heldere water goed te volgen.

De dobber staat ongeveer tien meter verder stil en schokt wat op en neer. Tijd om aan te slaan dus en weer komt er een mooie vis in het schepnet.

Vlug een foto maken en even meten. Niet te geloven maar het is het zelfde snoekje met een lengte van 70 cm en zijn herkenbare tekening. Daar zijn vriend Bart en ik het helemaal over eens. Hoe is het mogelijk.

We houden het verder voor gezien want we zijn èn koud èn we willen  dit snoekje beslist niet voor een derde maal vangen want dan wordt zo’n beestje te veel af gejakkerd.

In de auto naar huis vertel ik mijn maatje het verhaal dat me na die toch zeldzame “ kopie “ vangst van deze middag te binnen schoot.  

Ik heb het ooit eens gelezen in één van de vele sportvis boeken die de onvolprezen Jan Schreiner ons heeft nagelaten. ( God hebbe zijn ziel ). Het verhaal, en ik hoop dat ik het een beetje goed weergeef, gaat ongeveer als volgt:

Meneer Kalfschot leefde zijn leven zoals hij vond dat het goed was.Voor hemzelf dan. Een egocentrisch mens. Geen vrienden maar dat stoorde hem in het geheel niet want zonder vrienden ging het ook prima. Vrouw en kinderen kwamen niets te kort behalve dan enige vorm van liefde of belangstelling. Je zou hem kunnen omschrijven met het gezegde: “ Ikke ikke ikke en de rest kan stikke. “

Hij was bijna toe aan zijn pensioen toen hij voelde dat het niet goed met hem ging. Zijn dokter had hem gewaarschuwd het vooral rustig aan te gaan doen. Meneer Kalfschot was niet bang voor de dood. Helemaal niet. Dat speelde bij hem niet. Hij geloofde niets en al helemaal niet in een hiernamaals.  Als grapje had hij tegen die huisarts gezegd: “ Wie dan niet leeft wie dan niet zorgt, “  maar die had hem niet-begrijpend aan gekeken.

Die avond was hij vroeg naar bed gegaan want hij was erg moe.

Toen hij zijn ogen sloot was hij direct weg van deze wereld en stond hij voor Petrus die hem zei dat hij wel wist wie Kalfschot precies was en dat hij engel Gijs mee kreeg die hem verder in de gaten moest houden.

Engel Gijs was er een van het zwijgzame type. Hij ging hem voor terwijl ze door een grote wolk liepen tot ze bij een mooi riviertje kwamen waar de zon vrolijk scheen en de vogels nog vrolijker kwinkeleerden.

– “ Jouw hobby was toch snoekvissen,” vroeg engel Gijs. “ Nou daar in dat schuurtje kan je een hengel en wat kunstaas uitzoeken en dan ga je je gang maar. “

Meneer Kalfschot vond dat hij het goed getroffen had want hij was zonder meer in de hemel. Dat stond wel vast.   

Hij maakte zijn hengel en molen klaar, knoopte een koperkleurige Ondex 5 spinner aan de lijn en maakte een verre worp.  

In het midden van het riviertje klapte er al een snoek op. Dat ging goed.

Na een korte dril onthaakte hij het beestje en liet hem vol trots aan engel Gijs zien.                                                                                                                         – “ Mooi, niet, “ zei hij, “ zo snel vang je ze niet altijd. “

– “ Zeventig centimeter, zei engel Gijs kort. “

Weer gooide hij ver in en weer klapte er binnen de kortste keren een snoek op.

– “ Zeventig centimeter, “ zei engel Gijs ongevraagd en dat was ook zo. Meneer Kalfschot fronste zijn wenkbrauwen.

Bij de volgende worp was het alweer het zelfde liedje.                                   Zeventig centimeter.

Meneer Kalfschot begon het een onplezierig toeval te vinden maar à la, héél héél soms gebeurt zoiets weleens. Hij legde zijn hengel in het gras en vroeg: – “ Hoe laat gaan we eigenlijk eten. “

_ “ Er wordt hier niet gegeten, “ zei de engel, “ en voor je verder gaat met vragen stellen, hier wordt ook niet geslapen of uitgerust dus ik adviseer je met klem de hengel weer op te pakken en door te gaan met vissen want dat is wel de bedoeling. “

Terwijl meneer Kalfschot zijn hengel uit het gras oppakte vielen er tranen op zijn handen. Hij kon zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst had gehuild maar nu zorgde zijn zelfmedelijden voor een ongekende tranenstroom.

Toen werd hij wakker met het hoofd op het door nat hoofdkussen.  Hierna ging hij het rustiger aan doen zoals de dokter het hem had gezegd en leefde nog een tamelijk lang leven. Zijn hengel stond in de schuur te verdrogen en molen en kunstaas roestten langzaam weg. Het snoekvissen had hij afgezworen. Voor altijd en eeuwig. Voor zover het tenminste aan hemzelf lag.

Rien Faasse           Maart 2019