Peter in de polder, een geschiedenislesje

Veel vissers hebben het vissen geleerd van hun vader. Mijn broer ook. Mijn vader en broer gingen, toen we lang geleden nog in Friesland woonden, vaak vissen. Altijd op paling, want dat kon je eten. Met zijn vriendjes viste mijn broer dan nog wel op voorn. Ik was toen nog te klein en mocht niet aan het water spelen. We verhuisden toen ik 7 was naar Limmen. Daar lag een mooie vaart. Zoals dat gaat na een verhuizing, had vader het druk met andere dingen en moest ik het vissen, dat inmiddels mijn interesse had gewekt, van anderen leren.

Bijna elke dag stond Cor Mooij te vissen aan de vaart. Altijd met een vaste hengel, vissend op voorntjes in de zomer en op baars in de winter. Af en toe mocht ik Cor zijn hengel even vasthouden, dan kon hij een shaggie draaien. Cor vond het wel tijd dat ik op de wachtlijst (!)  van de visclub kwam, dus toog ik op een avond naar zijn huis, alwaar mijn moeder de gegevens op de lijst invulde. Er mochten maximaal 250 vergunningen worden uitgeschreven voor de Limmer polder, waarvan Limmen er 150 kreeg, en leden van de verenigingen in Castricum en Akersloot ieder 50. Ik stond op nummer 164. Ik was blij als er iemand verhuisde, of op andere wijze van de lijst af raakte…

Toen er een jaar later verruiming van deze norm kwam, naar 400 stuks, waarvan 200 voor Limmen, mocht ik lid worden. Ik was 11 jaar en het jongste lid ooit op de club, en kort na mij werden ook mijn vrienden Koen en Joost lid. We visten ‘s ochtends voor school, soms tussen de middag, en na school. Zeker 5 keer per week. Elk jaar werd er door de jeugdraad een viswedstrijd georganiseerd, waar we aan mee deden. Soms waren er wel 50 kinderen. Als je een vis had gevangen, was de kans groot dat je een prijs had.

Snoeken leerde ik van Jan Veldt, die elke herfstdag met zijn bootje  “Annie”  langs de oevers roeide met een hengel met een levend visje eraan, achter de boot. 2 groen met witte steekdobbers lieten de bewegingen van het aasvisje zien, en als die nerveus begon te zwemmen, bleef Jan even op dat stekje liggen. Als er een snoek werd gevangen, kreeg deze een klap op zijn kop en ging in de pan. Dat stukje wilde ik niet leren, want meneer Schreiner  en meneer Peeters schreven hier heel andere dingen over. Jan zijn broer Jaap viste de hele zomer, elke ochtend op karper en brasem, altijd op dezelfde plek, met een strandhengel, een Mitchell 398 met 30/00 nylon, en onder de schuifdobber een haak 5 met een stukje aardappel. Zijn vangst verdween in een stalen leefnetje, wat daarmee gebeurde weet ik niet, want hij ging weg als ik op school was. Ik vermoed dat zijn karpers hetzelfde lot beschoren was als de snoeken van zijn broer.

Cor leeft niet meer, ik ben jaren later in zijn voetsporen getreden in zijn functie als secretaris van de visclub en heb dat zo’n 30 jaar uitgevoerd. Jan en Jaap zijn ons ook al lang ontvallen. Aardappel wordt niet meer gebruikt als karperaas ( hoewel dit zeker nog goed vangt), levende aasvisjes zijn bij wet verboden in ons land, en bij overtreding kun je rekenen op een boete van € 375 per hengel. Het ledental van de visclub wordt niet meer bepaald door wachtlijsten en poldervergunningen, maar gewoon door het aantal mensen dat zich aanmeldt, we hebben zelfs een on line service. Het aantal vissers in de polder is bepaald op onbepaald, want onze wateren zijn al jaren geleden ingebracht in de landelijke lijst van viswateren. Het is er overigens niet drukker op geworden in onze polder.

De jeugdraad heeft zo’n 35 jaar geleden het organiseren van de jeugdviswedstrijd aan de visclub overgedragen. Ik ben al zo’n 33 jaar betrokken bij deze activiteit. In onze hoogtijdagen hadden we liefst 86 leden, waarvan er 85 ook op de wedstrijden kwamen ( 1-tje was van gescheiden ouders en niet altijd in ons dorp). Die tijden liggen ook achter ons. We hebben nu nog 20 leden, en mogen blij zijn als er 5 of 6 op de activiteiten komen opdagen. De beleving die deze kinderen hebben, is volgens mij nog net zo groot als die ik had, toen ik die leeftijd had. Wij hadden natuurlijk in onze jonge jaren, ik praat over de 70-s, maar 2 netten op TV, alleen woensdagmiddag een jeugdprogramma en er was doorgaans maar plek voor 1 sport in huis.

Hoe anders is het nu. Het grote aanbod aan activiteiten, sporten, bezigheden en verplichtingen brengt dat vissen niet zo snel meer voorkomt op hun wensenlijstje. Natuur beleven kun je digitaal vaak net zo goed. Wel zie ik nu regelmatig groepjes jongens van rond de 17- 20 jaar, radiootje mee, tasje, schepnet en een werphengeltje, die even samen gaan chillen en gelijk even een snoekje of baarsje proberen te scoren. Wordt er wat gevangen, wordt het mobiel vastgelegd en gedeeld, de vrienden elders weten al van de vangst voor hij is terug gezet. Het materiaal van deze jongens is zelden van kwaliteit, maar ze hebben wel plezier. Het zou mooi zijn als we dit gevoel weer als visclub kunnen overbrengen op de jongelui. En ze meteen even aan een vispas en lidmaatschap kunnen helpen. Kunnen ze later ook nog chillen aan de waterkant met hun kinderen!