Fred

Fred.

Even lekker simpel rommelen langs de waterkant. Hoe kun je dat beter doen dan met het super korte stokje op zoek naar de baarsjes die meestal pal tegen de beschoeiing zijn te vinden? En waar kun je dat beter doen dan vlak bij huis op  “ het Stet “ in het naburige dorp Limmen. Geen dikke rietbossen voor je snufferd maar het Stet biedt een mooi gazon dat grenst aan een kaarsrechte houten wallenkant waar zo’n 60 cm diep is. Hier en daar werpt een forse treurwilg schaduw over het water waar de visjes ook graag vertoeven. Meestal begin ik aan de noordkant van het Stet bij de kano’s. Een prima stekkie en daar begint ook dit verhaal.

Auto parkeren. Over het gras naar de waterkant lopen. Stukje worm aan het haakje, ingooien en… dan komt hij rustig aangewandeld.

En “ hij “ is Fred. En Fred is een grote rode kater die vaste prik bij je komt bedelen om een visje. Hoe hij zo vlug weet dat je als visser aan het water bent gearriveerd blijft voor mij een raadsel maar binnen de kortste keren is hij bij je. De meeste sportvissers mogen hem wel. Ja, zelfs ik als kattenhater heb wat met hem op en dat komt omdat dat Fred gewoon sympathiek is. Hij begroet je met een lief zacht miauwen terwijl hij een paar maal kopjes gevend om je benen draait. Dan zet hij zich naast je voeten en kijkt met een schuin koppie naar de kraaltjes van je baarstuigje alsof hij er verstand van heeft en weet wanneer je beet hebt en aan moet slaan. Vang je het eerste kwartier niets dan word je door Fred gediskwalificeerd door zijn vertrekt met een demonstratief opgeheven staart samen met een klagelijk miauwen. De baarsjes zet ik altijd terug in hun element maar de voorntje zijn voor de kat. ( Ik weet het. Dit is een selectief weidelijk gedrag van mij. )Ondanks Fred’s weldoorvoede lijf heeft hij altijd grote trek en verorbert schrokkerig wel vijf of soms wel meer witvisjes. Krak, koppie eraf en krak, krak, krak. Weg visje.

Nou vis ik laatst een wedstrijdje mee met de 55+ club van Limmen die standaard op het Stet wordt gehouden. Het is tenslotte hun enige thuiswater.  Die ochtend heb ik een kopstek. Stek nummer 1 bij de kano’s.  “ Kopstek is topstek, “ zegt men weleens, maar dat valt die dag bar tegen. De vangsten zijn slecht.  Af en toe vang ik een enkel visje maar, “ meer af dan toe.“ Tot tweemaal toe slinger ik wat onbeholpen een visje op de kant  dat er in het gras afvalt en door vriend Fred, jawel hij zat weer naast me, in een flits wordt weggegrist en met een krak hap slik verdwijnt. Niet zo erg hoor, maar ik word die ochtend wel tweede met 18 stuks in mijn leefnetje achter de winnaar die er 19 laat tellen.  Ik kon er om lachen.

Een paar dagen later sta ik weer bij de bootjes om de baarsjes het leven zuur te maken en onze roodharige vriend heeft al een paar voorntjes verorberd.  Er komt een jongetje op zijn hurken naast me zitten om naar mijn visverrichtingen te kijken. Leuk ventje. Jaar of tien. Blonde krullenbol en Fred kruipt kroelend bij hem op schoot. Nou, die kennen elkaar, denk ik bij mezelf.  Dat is duidelijk.

  • “ Is dat jouw kat, “ vraag ik een beetje overbodig.
  • “ Ja meneer. “
  • “ Nou, ” ga ik verder, “ die kat van jou vreet hier vaak vijf of nog meer visjes op.  Dan zal hij bij jou thuis, denk ik zomaar, zo nu en dan wel behoorlijk stinken! “
  • “ Nee hoor meneer, “ antwoordt het knulletje dat me niet eens aankijkt en onverstoorbaar Fred over zijn kop blijft aaien.
  • ” Bij ons thuis stinken alleen de hond en mijn vader. “

193b 29 08 2015 Limmen, Samen Beet

Rien Faasse                                                Augustus  2015.